Onze dochter van 9 jaar kan haar plas niet goed ophouden…

Mieke kwam bij mij in de praktijk met het probleem dat ze elke dag een paar keer een natte broek had. Zij heeft tot drie keer toe een blaasontsteking gehad. De kinderarts heeft een afwijking uitgesloten en haar verwezen naar de kinderfysiotherapeut voor training van de bekkenbodemspieren.

Zindelijk worden gebeurt meestal grotendeels vanzelf. De blaas lijkt op een ballon, die groter of kleiner is afhankelijk van de hoeveelheid plas die erin zit. Aan het uiteinde van de blaas zit de plasbuis, die afgesloten wordt door de sluitspieren. Als de blaas vol is, gaat er een seintje naar de hersenen en voel je dat je moet plassen. De sluitspieren ontspannen zich als je op de wc zit en de blaas trekt zich samen. Op die manier plas je de blaas leeg.
Kinderen, die in hun broek plassen (incontinentie) zijn nat, omdat hun blaas of sluitspier niet goed werkt. Ze hebben de spieren niet goed onder controle. Daardoor verliezen ze ongewild steeds een beetje plas. Dit kan vervelend zijn voor het kind, omdat het een schaamtegevoel kan geven.

Aan de hand van de vragenlijst en het bijhouden van een drink-, plas- en poepdagboek bleek dat Mieke een verkeerde manier van plassen had ontwikkeld. Zij hield de sluitspier en de bekkenbodemspieren constant gespannen. Dus niet alleen als ze aandrang had, maar ook tussendoor. Ze negeerde de seintjes van de blaas om naar de wc te gaan. Ze hield de sluitspier strak gespannen om ongelukjes te voorkomen. Daardoor lukte het niet meer om tijdens het plassen de sluitspier goed te ontspannen. Om toch de blaas leeg te krijgen, ging ze persen om de blaas leeg te duwen. De plas komt dan in kleine beetjes. Mieke herkende het seintje om te plassen niet meer en ging maar weinig naar de wc.

Als deze manier van plassen lang blijft bestaan, kan zich een ‘niet actieve blaas’ ontwikkelen. Het kind herkent de drang om te plassen niet meer en perst met de buikspieren de blaas leeg. Het constant ophouden is teveel gevraagd van de sluitspieren en hierdoor zal het kind regelmatig een beetje urine verliezen. Vaak blijft er urine achter in de blaas, waardoor de kans op een blaasontsteking groot is.
Op den duur kan ook de dikke darm last krijgen van het ophoudgedrag. Het kind kan kleine beetjes ontlasting verliezen, doordat het legen van de darm (poepen) ook in de war raakt. Door het vol zitten van de darmen voelt het kind de aandrang van de urine nog minder.

Het is belangrijk de blaasontsteking met medicijnen te bestrijden. Bij Mieke was dat niet voldoende en moest er ook iets aan de oorzaak gedaan worden. In de kinderfysiotherapiepraktijk leerde zij de aandrang herkennen en haar sluitspier te ontspannen. Ook kregen de ouders tips mee voor een ontspannen houding op het toilet en hoe het plasgedrag te veranderen. Een ontspannen toilethouding bereik je door met de bovenbenen recht op de bril te zitten en met de voeten op de grond of op een krukje. Zijn de billen kleiner dan de wc-bril, gebruik dan een toiletverkleiner. Zes tot zeven keer per dag plassen is belangrijk. Dat lukt alleen als het kind minimaal zeven keer per dag drinkt.

Na drie maanden van speelse oefeningen in de kinderfysiotherapiepraktijk en thuis had Mieke weer het juiste gevoel van aandrang als ze moest plassen. Ze kon volledig ontspannen uitplassen en ze was niet meer nat tussendoor. Ze heeft geen last meer gehad van blaasontstekingen.

Mijn baby ligt graag in de Maxi-Cosi.

Mijn baby ligt graag in de maxi cosi. Ik heb gehoord dat dit niet goed is voor de ontwikkeling. Klopt dat?

Het is inderdaad goed om het gebruik van de maxi cosi te beperken tot waar die voor bedoeld is. Namelijk voor vervoer van je kind in de auto. In een maxi cosi zit een kind constant in dezelfde houding. Als een kind een groot deel van de dag in de maxi cosi zit, ontwikkelt het een voorkeurshouding. Het kind zakt meestal scheef weg. Daarnaast is het goed om je kind de mogelijkheid te bieden om te spelen. Spelen is leuk en ook heel belangrijk voor kinderen. Ze doen tijdens spel veel bewegingservaring op. In de maxi cosi mist het kind deze bewegingservaring. En dat kan gevolgen hebben voor de latere ontwikkeling.

Eigenlijk begint het spelen van een kind al direct na de geboorte. Je houdt je kind stevig vast, knuffelt het en wiegt het op je arm. Daardoor doet het kind al allerlei bewegingservaring op. Dit bewegen ontwikkelt zich verder, onder andere in de box als het kind ligt te trappelen met de benen en te maaien met zijn armen. Het wordt uitgelokt om tegen speelgoed aan te slaan en in een later stadium om het te pakken. Speelgoed in de box is dus belangrijk voor het spel van het kind. Het ontwikkelt daarmee onder andere de oog-handcoördinatie en het grijpen. Teveel speelgoed kan het kind juist weer belemmeren in het spel. Als speelgoed altijd maar binnen handbereik is, doordat er heel veel speelgoed in de box ligt, hoeft het kind weinig moeite te doen om het speelgoed te pakken te krijgen. Twee of drie speeltjes is genoeg om het kind uit te lokken te gaan reiken en om te gaan rollen om bij het speelgoed te komen. Om dezelfde reden is het goed om de babygym niet de hele dag boven je kind te laten hangen. Het kind heeft het speelgoed dan dichtbij en zal niet zo snel op onderzoek uit gaan.

Het is goed voor de ontwikkeling van het rollen, tijgeren en kruipen om je baby elke dag even op de buik te leggen. Natuurlijk alleen als het wakker is en als je erbij bent. Kinderen, die het niet leuk vinden op de buik, kun je afleiden met een speeltje, of door er zelf voor te gaan liggen. Het is ook leuk om zelf op je rug te gaan liggen en je kindje op je borst te leggen. Dan moet het zijn hoofdje optillen om je aan te kunnen kijken.

In het eerste levensjaar stopt het kind nog veel zijn handen en speelgoed in de mond. Het ontdekt met de mond. Hoe voorwerpen voelen: hard of zacht, koud of warm, zwaar of licht, e.d. Later nemen de handen deze functie over en hoeft het speelgoed niet meer met de mond ontdekt te worden. Door je kind allerlei soorten speelgoed aan te bieden verfijnt het grijpen zich steeds verder. Zo pakt het kind in eerste instantie een speeltje met de volle hand. Een aantal maanden later kan het al een rozijntje pakken tussen duim en wijsvinger.

Ook het spelen in de ruimte is belangrijk op babyleeftijd. Vanaf een maand of vijf is het goed om het kind een kwartier tot een half uur buiten de box te laten spelen op een kleed op de grond. Dan wordt niet alleen het omrollen nog verder uitgelokt, maar ook het tijgeren en kruipen. Zoals hierboven al aangegeven: hoe meer variatie er is in het bewegen hoe beter het is voor de latere motorische (bewegings-) ontwikkeling. En wat is er nu mooier dan naar die kastjes te kruipen en die open en dicht te doen. En alles eruit te halen. En met een pollepel op een deksel te slaan. Dat is pas spelen!